De stem van Tamar
Leverbaar
Een hond - een hond sleurt een jongeman mee door de drukke binnenstad van Jeruzalem. Alles en iedereen moet wijken voor het stel, wie het niet doet wordt door de lijn tussen hond en jongen omvergetrokken. Waar wil die hond heen? Waarom laat die flink uit de kluiten gewassen jongeman, die Assaf, zich zo meesleuren? En door wie wordt hij achtervolgd? 'Grossman heeft onvergetelijke figuren gecreëerd. Tamar overtreft hen allen.' - Ha'aretz Een hond - een hond sleurt een jongen mee door de drukke binnenstad van Jeruzalem. De jongen kent de hond niet, hij heeft alleen van hogerhand de opdracht gekregen hem bij de rechtmatige eigenaar terug te bezorgen, al heeft hij geen idee wie dat is. De hond neemt vanaf de kennel het initiatief en behoudt het tot het eind. Hij ontketent een serie avonturen die de lezer in een adembenemend tempo door dit boek voert, door alle jachtigheid, controverses en onverzoenlijkheden heen waarin we leven. Een excentrieke kluizenares, drugsverslaafden, straatmuzikanten, potenrammers, vuurvreters en criminelen, maar ook een verlegen jongeman, een doortastend meisje en een liefde die haar beslag krijgt ver buiten Jeruzalem. David Grossman is er in De stem van Tamar opnieuw in geslaagd een onvergetelijk vrouwenportret te schilderen. Er draaft een hond door de straten en een jongen rent achter hem aan. Ze zijn met elkaar verbonden door een lang touw dat verstrikt raakt in de voeten van de voorbijgangers, die mopperen en boos worden, terwijl de jongen steeds maar 'Sorry, sorry,' mompelt en tussen het gesorry door 'Stop!' en 'Hier!' roept tegen de hond, en één keertje, pijnlijk genoeg, een onwillekeurig 'Hu!' En de hond blijft maar hollen. Hij schiet vooruit, steekt drukke straten over, vliegt door het rode licht, en de jongen ziet de gouden vacht tussen de benen van de voorbijgangers verdwijnen en weer tevoorschijn komen, als een geheim signaal. 'Niet zo hard,' schreeuwt hij. Wist ik maar hoe die hond heet, denk hij bij zichzelf, dan kon ik hem bij zijn naam roepen en zou hij misschien stoppen of op z'n minst vaart minderen, maar ik voel aan mijn water dat de hond ook in dat geval zou blijven rennen, zelfs als het touw om zijn nek zo strak komt te zitten dat hij geen adem meer krijgt, dan nóg blijft hij doorrennen tot hij de plek bereikt waar hij zo nodig heen moet, dus hoe eerder hoe beter, dan ben ik van hem af. Dit alles gebeurt op een ongelegen moment. De jongen, die Assaf heet, holt voort, maar zijn gedachten raken ver achter hem in de war. Hij wil ze uit zijn hoofd zetten, hij moet zich op de hond concentreren, maar de gedachten slepen achter hem aan als een sliert rammelende blikjes. Het blikje van de reis van zijn ouders bijvoorbeeld. Die bevinden zich op dit moment ergens boven de oceaan, voor het eerst van hun leven in een vliegtuig, maar waarom moesten ze ineens zo nodig weg? Of het blik van zijn oudere zus, waar hij niet eens aan durft te denken, want daar kan alleen maar ellende van komen. En er zijn er nog meer, kleine en grote blikjes, en ze rammelen en botsen tegen elkaar aan, met aan het eind het blikje dat hij al twee weken met zich meesleept, dat hem gek maakt met zijn blikkerige geluid, dat heel hard schreeuwt dat Assaf nu eindelijk eens goed verliefd moet worden op Daffi, want hoe lang wilde hij nog wachten? En Assaf weet dat hij even moet stoppen om die irritante sliert met blikjes op orde te brengen, maar de hond heeft andere plannen. Verdomme, kreunt Assaf, want net voordat de deur van de kamer openging waar hij de afgelopen week dagelijks van acht tot vier heeft gezeten, en hij geroepen werd om de hond te komen zien, had hij op het cruciale punt gestaan om verliefd op haar te worden, op Daffi. Hij kon toen letterlijk voelen hoe hij dat tegendraadse plekje diep in zijn buik eindelijk buitenspel ging zetten, en daarmee ook de trage, zachte stem die hem vanuit die plek steeds maar toefluistert: Niks voor jou, die Daffi, dat meisje doet niets anders dan iedereen altijd alleen maar plagen en uitlachen, vooral jou, waarom zou je nog doorgaan met die idiote vertoning, avond aan avond? En toen, net op het moment dat hij die ophitsende stem tot zwijgen zou brengen, ging de deur open, en daar stond, mager en donker en verbitterd, Avram Danoch, onderdirecteur van de gemeentelijke reinigingsdienst en min of meer bevriend met de vader van Assaf, ook degene die Assaf deze baan bij de gemeente voor de hele maand augustus had bezorgd. En deze Danoch riep hem op om de handen uit de mouwen te steken en direct met hem mee te gaan, naar de kennel beneden, want hij had eindelijk een klus voor hem. Danoch stapte flink door en vertelde intussen iets over een of andere hond, maar Assaf luisterde niet, hij had meestal een paar seconden nodig om zich aan veranderde omstandigheden aan te passen, dus hij sjokte maar achter Danoch aan, door de gangen van het gemeentehuis, langs mensen die hun waterrekening en belasting kwamen betalen, of hun buren kwamen verklikken die zonder vergunning een balkon hadden laten aanbouwen, en daarna de brandtrap af, naar de binnenplaats, en hij probeerde intussen bij zichzelf na te gaan of hij het laatste restje verzet tegen Daffi al overwonnen had, en te bedenken wat hij vanavond zou zeggen tegen Roy, die eiste dat hij nu eindelijk eens zou ophouden met dat getob en zich als een man zou gedragen. En hij hoorde uit de verte al het harde, aanhoudende geblaf, wat hem verbaasde, want meestal blaften alle honden tegelijk, soms werd hij zelfs op de derde verdieping in zijn dagdromen gestoord door het hondenkoor, maar nu blafte er maar één. Danoch deed een hek van kippengaas open, draaide zich om en zei iets dat Assaf vanwege het geblaf moeilijk kon verstaan. Hij deed een tweede hek open en wees uitnodigend op het smalle pad tussen de kooien. Het kon niet missen. Danoch had hem onmogelijk om een andere hond kunnen meenemen. Er waren zo'n acht of negen honden, ieder in zijn eigen kooi, maar in feite was het er maar één, die alle andere als het ware leeggezogen had en stil en duf achtergelaten. Hij was niet bepaald groot, maar hij had iets krachtigs en wilds over zich, en vooral ook iets wanhopigs. Zo'n wanhoop had Assaf nog nooit bij een hond gezien. De hond wierp zich keer op keer tegen het gaas, de hele rij kooien trilde en dreunde mee, en hij stootte elke keer een griezelige hoge kreet uit, een vreemde mengeling van huilen en brullen. De andere honden lagen of stonden en keken stil en verwonderd naar hem, met ontzag zelfs, en Assaf had het eigenaardige gevoel dat als hij zoiets bij een mens had gezien, hij meteen naar hem toe was gegaan om te helpen. Of hij was direct weggegaan, om die persoon alleen te laten met zijn verdriet. In de korte pauzes tussen het blaffen en het opspringen tegen de kooi sprak Danoch zacht en snel. Een van de opzichters had de hond twee dagen eerder in de binnenstad rond zien zwerven, vlak bij het Zionplein. De dierenarts dacht eerst dat hier sprake was van een vroeg stadium van hondsdolheid, maar de hond vertoonde er geen symptomen van en afgezien van zijn viezigheid en enkele oppervlakkige wonden verkeerde hij in een uitstekende gezondheid. Het viel Assaf op dat Danoch vanuit zijn mondhoek sprak, alsof de hond niet mocht horen dat hij het over hem had. 'Hij is nu al achtenveertig uur bezig,' prevelde Danoch, 'en de batterij is nóg niet leeg. Wat een beest, hè?' voegde hij eraan toe en rechtte zijn rug een beetje toen de hond een korte blik op hem wierp. 'Niet een gewone straathond.' 'Maar van wie is hij?' vroeg Assaf en deed een stap naar achteren, want de hond had zich weer tegen het gaas gesmeten en de kooi schudde op zijn grondvesten. 'Dat is het 'm juist,' sprak Danoch door zijn neus en krabde zich op zijn hoofd. 'Dat moet jij nou uitzoeken.' 'Hoezo ik?' schrok Assaf. 'Waar moet ik die gaan zoeken?' Zodra de kalb - dat is Arabisch voor hond - zodra de kalb wat gekalmeerd was, zei Danoch, zouden ze het aan de hond zelf vragen. Assaf staarde Danoch aan, hij begreep er niets van. En Danoch zei: 'We doen gewoon wat we altijd in zulke gevallen doen: de hond krijgt een touw om zijn nek en we laten hem gaan. Je loopt een tijdje mee, een paar uur, en hij brengt je vanzelf rechtstreeks zonder mankeren bij zijn baas.' Assaf dacht dat Danoch een grapje maakte, zoiets had hij nog nooit gehoord, maar Danoch haalde een opgevouwen vel papier uit de zak van zijn overhemd en zei dat het uiterst belangrijk was om, voordat men de hond overdroeg, de eigenaar dit papiertje, namelijk formulier 76, te laten ondertekenen. 'Stop maar in je zak, Assaf, en niet verliezen, hoor, want je lijkt me eerlijk gezegd een beetje een dromer. En vergeet die meneer vooral niet uit te leggen dat bijgaande boete - zegge en schrijve honderdvijftig sjekel - dan wel dagvaarding opgelegd is: a. wegens nalatigheid, want hij heeft zijn hond niet goed in de gaten gehouden, dus laat dit een les voor hem zijn, en b. als mi-ni-ma-le (Danoch sabbelde spottend op elke lettergreep) vergoeding voor de last en de kopzorgen die hij de gemeente heeft bezorgd, alsook voor de verspilling van een uit-mun-ten-de werkkracht!' En hij klopte Assaf te hard op zijn schouder en zei dat Assaf, als hij de eigenaar van de hond had gevonden, terug naar zijn kamer op de afdeling waterleiding mocht om daar tot het einde van de grote vakantie op kosten van de belastingbetaler duimen te gaan zitten draaien. 'Maar hoe moet ik nou...' protesteerde Assaf. 'Die hond... Hij lijkt wel gek...' En toen gebeurde het. De hond hoorde de stem van Assaf en stond ineens stil. Hij liep niet meer heen en weer in zijn kooi. Hij kwam langzaam naar het gaas toe en keek Assaf aan. Zijn ribbenkast ging nog steeds heftig op en neer, maar zijn bewegingen waren nu traag en zijn ogen donker en scherp. Hij hield zijn kop schuin, als om Assaf beter te kunnen bekijken, en Assaf dacht dat hij nu zijn bek open zou doen en met een doodgewone mensenstem zou zeggen: Jij bent zelf gek. Hij ging op zijn buik liggen, de hond welteverstaan, boog zijn kop, krabde met zijn voorpoten smekend onder het gaas door en slaakte een nieuw geluid, iel en teder, als het huilen van een puppy, of van een baby. Aan de andere kant van het gaas boog Assaf zich naar de hond toe. Hij merkte zelf niet dat hij dat deed. En zelfs Danoch, een starre man die Assaf met tegenzin aan zijn baan bij de gemeente had geholpen, glimlachte zuinig toen hij hem op zijn knieën zag gaan. Assaf keek naar de hond en sprak hem zachtjes toe. 'Van wie ben je?' vroeg hij. 'Wat is er met je? Waarom maak je zo'n herrie?' Hij praatte langzaam en liet ruimte over voor antwoorden en keek de hond niet te lang in de ogen, om hem niet in verlegenheid te brengen. Hij kende het verschil - de vriend van zijn zus Relli had het hem geleerd - tussen praten tégen en mét een hond. De hond bleef liggen, hij hijgde en zag er nu voor het eerst moe en uitgeput uit, en ook kleiner dan eerst. Eindelijk was het stil in de kennel, de andere honden kwamen weer tot leven en begonnen heen en weer te lopen in hun hokken. Assaf stak een vinger door het gaas naar binnen en raakte de hond aan op zijn kop. De hond bewoog niet. Assaf krabde met zijn vinger in de vacht, die vies en plakkerig was. De hond begon te janken, snel, gejaagd, onophoudelijk, alsof hij iets kwijt moest, alsof hij het niet langer voor zich kon houden. Zijn rode tong trilde, zijn ogen waren groot en sprekend. En vanaf dat moment verzette Assaf zich niet langer tegen Danoch, die gauw van de gelegenheid dat de hond rustig was gebruikmaakte om de kooi binnen te stappen en een lang stuk touw vast te knopen aan de oranje halsband die verborgen zat in de dikke vacht. 'Pak aan,' beval Danoch, 'hij gaat nu als een lammetje mee.' Maar hij deinsde zelf terug toen de hond plotseling buiten de kooi stond en niet meer moe en gedwee leek en met een nieuwe nervositeit om zich heen keek en in de lucht snuffelde, alsof hij naar een geluid ergens in de verte luisterde. 'Kijk 's aan, het botert meteen tussen jullie twee,' probeerde Danoch zichzelf en Assaf te overtuigen. 'Maar pas goed op jezelf als je in de stad rondloopt.' De laatste woorden stierven weg in zijn keel. Want de hond was nu geconcentreerd en gespannen, zijn kop kreeg iets scherps over zich, hij leek bijna een wolf. 'Zeg,' mompelde Danoch met enige twijfel, 'het is toch wel verantwoord om je zo met die hond de straat op te sturen?' Assaf zei niets. Hij keek alleen verbijsterd naar de gedaantewisseling van de hond, nu die vrij was. Danoch klopte hem weer op zijn schouder. 'Je bent een sterke jongen. Kijk, je bent groter dan ik en ook groter dan je vader. Je kan de hond wel aan, hè?' Assaf wilde nog vragen wat hij moest doen als de hond hem niet naar zijn baas zou brengen, en hoe lang hij hem moest blijven volgen (in de bureaula lagen drie boterhammen te wachten: zijn lunch), en stel dat de hond bijvoorbeeld ruzie had met zijn baas en dus niet van plan was ooit nog terug naar huis te gaan... Deze vragen werden niet op dat moment en niet op een ander tijdstip gesteld. Assaf zag Danoch die dag niet meer terug, en de dagen daarop evenmin. Soms is het zo makkelijk om het moment aan te wijzen waarop iets - het leven van Assaf, om maar wat te noemen - onherkenbaar begint te veranderen, onherroepelijk ook. Want zodra Assaf zijn hand om het touw sloot, schoot de hond met een geweldige ruk weg en trok hij Assaf mee. Danoch schrok en hief zijn hand, hij kon nog net een paar stappen doen, achter de ontvoerde Assaf aan, hij zette het zelfs op een hollen - allemaal tevergeefs. Assaf werd met een noodgang over de binnenplaats van het gemeentehuis gesleept, de trap af gedenderd, de straat op gepleurd, om vervolgens tegen een geparkeerde auto gesmeten te worden, tegen een vuilnisbak, tegen voorbijgangers. En hij rende...Van deze titel is momenteel geen recensie beschikbaar.
Gebonden | 414 pagina's | Nederlands
Verschenen in 2002
Rubriek: