Aakster

Gestuurde verandering; interdisciplinaire handleiding voor progammering van veranderingsprocessen

Van Gorcum & Comp.
€ 36,50

Leverbaar

"In een veranderende omgeving moeten organisaties en individuen zich permanent aanpassen. Maar de monodisciplinaire instrumenten om veranderingsprocessen voor te bereiden en te begeleiden blijken ontoereikend. Simpele oorzaak-gevolg-redeneringen zijn te smal. Chaos en onzekerheid zijn veelal het gevolg.Aakster is gewend te opereren op het grensvlak van meerdere disciplines. Hij laat ons zien wat we kunnen leren van de sociologie, de psychologie, de geneeskunde, de biologie, de thermo-dynamica en andere gebieden van wetenschap. We moeten uitgaan van krachtenvelden die in de tijd met elkaar verstrengeld raken en gezamenlijk series van geschakelde effecten produceren. Kritische analyse van deze krachten levert de kennis en het inzicht om veranderingsprocessen beter te programmeren en in de hand te houden.Overzicht van de belangrijkste vernieuwingen en accentueringen in het boek:Inzake wetenschapEr dient een wetenschappelijk voortraject te worden onderscheiden waarin vragen aan de orde komen als: wat is werkelijkheid, hoe nemen wij waar, hoe representeren wij de werkelijkheid. Pas daarna kunnen de wetenschappelijke bouwwerken worden opgetrokken.Onderscheiden moet worden tussen open en gesloten (theoretische) constructen. Open constructen kenmerken zich door het vermogen en de bereidheid buiten de eigen disciplinegrenzen te treden, een vrijere keuze van onderzoekmethoden/designs, open afbakeningen, aandacht voor het individuele niveau en interactieprocessen, en probabilistische uitspraken c.q. een relatief waarheidsbegrip.Wetenschap is te zien als een continu productieproces van kennis; daarbij is echter vaak sprake van voor-wetenschappelijke aannames ten aanzien van domein en de dimensies analytisch of contextueel, kwantitatief of kwalitatief, categoriaal of individueel, statisch of dynamica, normaal of afwijkend, lineair of kromlijnig/wederkerig, subject-gericht of object-gericht.Het lineaire oorzaakbegrip schiet te kort wat betreft de studie van levende en sociale systemen. Voor een vernieuwd oorzaakbegrip moeten wij terugkeren naar Aristoteles met zijn onderscheid naar materiele, vorm-, doel- en werkoorzaak. We moeten tegenwoordig eerder denken in termen van krachtenvelden, met hun (in de tijd verlopende) verstrengeling van beVORderende en beLEMmerende krachten. Daarbij zijn triggers, buffers, katalysatoren en scharnieren te onderscheiden. Er is hier sprake van singuliere veroorzaking, niet van kans-uitspraken op categorie-niveau.We moeten meer relationeel leren denken, en wel in twee opzichten: men kan slechts uitspraken doen over de werkelijkheid door er mee in relatie te treden, en: alles hangt met alles samen; dingen kunnen vaak alleen worden begrepen door ze in hun eigen specifieke context te benaderen. Er dient meer aandacht te komen voor individualiserende benaderingen, met name in de studie van levende en sociale systemen; op basis daarvan kan men (algemene) prototypische representaties ontwikkelen met een hoog voorspellend vermogen.Wetenschappelijke gemeenschappen schieten vaak te kort in hun Forumfunctie; zij corrigeren te weinig op selectiviteit bij het tot stand komen van theorieën en het verloop van toetsing- en acceptatieprocessen. Naast en deels in plaats van experimentele bewijsvoering, dient meer aandacht te ontstaan voor de ontwikkeling en toepassing van procesgerichte analyse- en toetsingsmethoden.Inzake systemenOp de langere termijn gezien zijn alle (open) systemen onderworpen aan de wetten van entropie en evolutie. Entropie in de zin van een continue dreiging voor de eigen integriteit en continuïteit (nivelleringstendens); evolutie in de zin van een geleidelijke optimalisering van het eigen organisatiepatroon van de soort in het licht van wisselende omgevingscondities.Ieder open systeem is uniek, niet alleen gezien zijn eigen constellatie en voorgeschiedenis, maar ook gezien de unieke aard van de omgeving waarbinnen dit existeert.Ieder open systeem is doelgericht, dat wil zeggen: is continu doende zijn eigen ?essentiële tendentie(s)? te realiseren. Daartoe gaat het systeem uitwisselingsprocessen aan (van materie, energie en/of informatie) met zijn omgeving; systemen zijn intrinsiek van deze wisselwerking/relatie afhankelijk.Een ?essentiële tendentie? duidt erop dat een (open) systeem altijd ergens naar toe beweegt op basis van zijn essentiële of primaire bestaansreden. Deze kan gebaseerd zijn op erfelijke bepaaldheid, op een door de ontwerper ingebouwde functie, op een door het systeem zelf gekozen doelstelling, of door externe krachten geforceerd zijn.De belangrijkste twee doelstellingen of strevingen van open systemen zijn die van continuatie en optimalisatie. Continuatie in de zin van de eigen instandhouding, optimalisatie in de zin van het scheppen en handhaven van de optimale condities daartoe. Bij hogere en complexere systemen zijn nadere differentiaties (met een zekere mate van hiërarchisering) te onderkennen binnen deze twee hoofddoelstellingen.De positionering van een open systeem binnen zijn omgeving is allerbelangrijkst. Het gaat daarbij om tijd/plaats-bepaaldheid van hulpbronnen, specifieke grensvlakcondities en toewending. Systemen bedienen zich hier doorgaans van onzekerheid-reducerende strategieën.Complexere open systemen beschikken over cultuur en bewustzijn. Cultuur in de zin van het geheel van overdraagbare informatie binnen een bepaalde soort of gemeenschap, bewustzijn in de zin van een geheel van (meer of minder direct oproepbare) functies waarmee informatieprocessen kunnen worden afgewikkeld.Open systemen beschikken tevens over een structuur en organisatiepatroon. Structuur kan worden omschreven als een functionele ordening van componenten, organisatiepatroon als de wijze waarop het systeem feitelijk opereert.Open systemen ontwikkelen zich continu. Collectief in de zin van evolutie c.q. natuurlijke selectieprocessen, individueel in de zin van het realiseren van hun ?inherente tendentie?: de in zijn bestaansvoorwaarden ingebakken c.q. geprogrammeerde eindrealisatie. Daarbij schuiven (dynamische) evenwichten geleidelijk op (via meer of minder gemarkeerde faseovergangen) langs een tijdlijn.Voor hun instandhouding en functioneren dienen systemen in dynamisch evenwicht te verkeren (zowel intern als ten aanzien van hun omgeving, dubbele balans-hypothese) en beschikken zij daartoe over een systeem van auto-regulatie. De ?normal range? van het evenwicht wordt aangegeven door grenswaarden op zijn essentiële variabelen (lijfsbehoud, welbevinden etc). Ieder open systeem beschikt over een regelmechanisme dat erop gericht is verstoorde evenwichten zo snel en efficiënt mogelijk te herstellen. Het regelsysteem is hiërarchisch geordend (centraal, middel- en basisniveau) en veronderstelt de componenten regelcentrum, prikkelgeleiding en effectoren. Als regel is hierbij sprake van niet-lineaire reactieketens, met een toenemende mate van specificiteit.Doorgaans hanteert men een top-down oriëntatie bij de studie van systemen. Het kan echter zijn nut hebben te starten bij het basisniveau en dit te zien als een in beginsel chaotische verzameling van elementen (cellen, werknemers) die alleen door de continue sturende en controlerende activiteit van een bovenliggend niveau tot een vorm van coherentie en samenwerking zijn te brengen. Er is te weinig aandacht voor de rol en betekenis van omgevingen. Omgeving is alles wat buiten de systeemgrens bestaat. Men kan zich daarbij beperken tot de ?primaire? omgeving. De omgeving confronteert het systeem met bedreigingen en mogelijkheden. Tot de laatste zijn de zogenoemde hulpbronnen te rekenen, die in beginsel schaars zijn. De grens tussen systeem en omgeving is als regel semi-permeabel; zij is zowel afgrenzing als verbinding. Ieder systeem werkt binnen een meer of minder streng afgebakend specifiek domein; over de afgrenzing daarvan kan strijd/competitie ontstaan met andere systemen. Er kunnen ook meer of minder ver gaande verstrengelingen ontstaan tussen systemen; er is dan sprake van reciprociteit of macht.In de confrontatie van een systeem met zijn omgeving kunnen blokkades of weerstanden optreden. Daarop kan het systeem reageren met een van de volgende drie responsies: ?flight? oftewel het zoeken van een veiliger of productiever geachte omgeving, ?fight? oftewel een poging de blokkade op te heffen of te omzeilen, of ?submission?: het zich onderwerpen aan de omgevingscondities. Inzake verandering:Alles verandert continu, het is alleen de snelheid waarmee dit gebeurt die van belang is. Van verandering is sprake indien op tijdstip 1 een verschil wordt gepercipieerd ten opzichte van tijdstip 0 met betrekking tot een bepaalde veranderingsgrootheid. Veranderingen verschillen onderling qua aard, snelheid, vorm, richting, fasering, complexiteit en ?impact?. Er zal altijd een spanningsveld aanwezig zijn tussen verandering en continuïteit.Alleen individuele systemen kunnen veranderen; veranderingen op collectief niveau zijn altijd het gevolg van de aard/omvang van veranderingen in (een aantal van) zijn eenheden. Op collectief, categoriaal niveau zijn daardoor alleen kansuitspraken mogelijk inzake het gedrag van deze eenheden en hun onderlinge relaties. Vanuit het individuele niveau kunnen overigens ?prototypische representaties? worden geformuleerd ten aanzien van het collectief .Verandering roept altijd weerstand of tegenkrachten op. Daarom is verandering in open systemen altijd gestuurde c.q. gecontroleerde verandering. Veranderingsprocessen verlopen als regel fasisch; daarbij zijn hooguit vier tot zes fasen te onderscheiden tot en met de eindrealisatie. De faseovergangen (transities) kunnen meer of minder abrupt verlopen (sprongen), zij zijn non-lineair aan elkaar gekoppeld. Transities vinden plaats op een moment dat sprake is van ?saturatie?: het organisatiepatroon van het systeem is niet meer geschikt om voortdurende ?toevoegingen? van bepaalde aard te verwerken en/of is niet meer opgewassen tegen problemen in zijn omgeving. Er vindt dan -idealiter- een patroonsprong plaats: het oude organisatiepatroon wordt vervangen door een organisatiepatroon van een hogere (soms echter lagere) orde, waardoor het systeem weer enige tijd normaal kan functioneren. Op deze wijze is sprake van langere perioden van stabiliteit, afgewisseld door kortere momenten van turbulentie. De eindrealisatie fungeert hierbij doorgaans als ?point-attractor? voor het systeem.In open systemen zijn veranderingsprocessen en doelrealisatie inherent aan elkaar gekoppeld: beide processen produceren elkaar in die zin dat een grootheid zijn doel alleen kan realiseren door in interactie te treden met zijn omgeving en uit die interactie iets over te houden dat voor zijn doelrealisatie van belang is. Het systeem voegt daarmee in kwantitatieve zin iets toe aan een kwaliteit die het al bezit. Naarmate het aantal toevoegingen (op deze kwaliteit) accumuleert, wordt een patroonverandering meer noodzakelijk en ?helpt? het veranderingsproces om een functionele patroonaanpassing te realiseren. een effectieve doel- of eindpunt-realisatie vooronderstelt een duidelijke identificatie van de veranderingsgrootheid, een zekere predispositie daartoe (bepaalde mate van veranderingsdruk), ?triggers? oftewel (toevallige) omstandigheden die het proces feitelijk in gang zetten, katalysatoren of versnellers van reeds in gang zijnde processen, een duidelijke vaststelling van specifieke ?targets? of ?point attractors?, proces-controle en strategische programmering (fasering, feedback, regulatie), steun/acceptatie-verwerving in de omgeving, adequate hantering van weerstand, minimaliseren van ongewenste neven-effecten en consolidatie.Veranderingsprocessen worden doorgaans in gang gezet of tijdens hun verloop continu beïnvloed door een complex van VOR- en LEM-krachten (bevorderende en belemmerende krachten) die in de tijd in meerdere of mindere mate met elkaar verstrengeld (kunnen) zijn. Dat wil zeggen dat factor A factor B kan beïnvloeden die daardoor verandert in factor B?. Op zijn beurt beïnvloedt B? de factor A die daardoor verandert in A?. Vervolgens doet A? B? in B? veranderen etc. In deze zin kunnen we spreken van wederkerige veroorzaking. Het gaat hier om in de tijd verlopende interacties. De vraag naar kip of ei is hier betrekkelijk zinloos. De factoren die het gedrag van een systeem bepalen, kunnen afkomstig zijn uit de volgende bronnen: 1) de essentiële tendentie van het systeem (vooral het gebied van het Willen), 2) zijn interne milieu (vooral het terrein van het Kunnen, in meer technische zin), en 3) zijn externe milieu (vooral het terrein van het Mogen of Moeten). Alle drie tezamen bepalen doorgaans het feitelijke gedrag dat geproduceerd wordt.Een systeem voor wie het doelstreven onvoldoende succesvol verloopt (bij zeer belangrijke zaken, of herhaaldelijk en/of op de langere termijn gezien), zal een vorm van disruptie ondervinden. Deze term slaat op alle vormen van (ernstige) verstoring die in een systeem kunnen optreden. Disrupties kunnen leiden tot symptomen van disfunctioneren en -bij een ernstige of langdurige aard daarvan- tot structurele defecten en in laatste instantie tot de ondergang of dood van het systeem.In geval van een (ernstige) disruptie kan van buitenaf een interventieprocessen in gang worden gezet, zijnde een bewust gekozen geheel van activiteiten van de zijde van een externe instantie om de gang van zaken binnen een systeem te doen wijzigen in een door deze externe instantie wenselijk geachte richting of mate. Interventies kunnen plaatsvinden ter bevordering van een beter functioneren van een ?normaal? systeem, dan wel ter bestrijding/opheffing van een disfunctionerend systeem. Hier is verder alleen het laatste type aan de orde.Ten aanzien van het bestrijden/opheffen van een disruptie (disfunctie, ziekte, crisis) zijn twee strategieën te onderscheiden: een corrigerende die rechtstreeks ingrijpt in foute structuren of componenten van het systeem, waarbij de regie wordt overgenomen door de externe instantie. En ten tweede: faciliteren, waarbij de externe instantie zich inzet voor het scheppen van zodanige condities in of voor het systeem dat dit zelf het verloren gegane evenwicht kan herstellen. In de gezondheidszorg bijvoorbeeld, is de eerst genoemde strategie vooral die van de reguliere geneeskunde en is de als tweede genoemde strategie vooral die van de zogenoemde complementaire geneeskunde.Te onderscheiden interventiemethoden zijn: het in materiele zin vervangen of repareren van een disfunctionerend onderdeel, het verwijderen/vernietigen van een obstructie in ftransportkanalen, het ophefen van een extern inwerkende oorzaak, het aanvullen van tekorten aan stoffen die voor een goed functioneren noodzakelijk zijn, het verspreiden van specifieke informaties, commando?s of prikkels naar het disfunctionerende onderdeel, het veranderen van de omgevingscondities van het disfunctionerende onderdeel (waardoor een ander gedrag wordt uitgelokt), het veranderen c.q. aanpassen van het organisatiepatroon van het disfunctionerende onderdeel of zelfs van het systeem als geheel. Deze interventiemethoden zullen doorgaans in bepaalde combinaties het meest gewenste effect geven. Anderzijds zal hun effectiviteit mede worden bepaald door de aard, omvang en progressie van de disruptie."

Paperback | 270 pagina's | Nederlands
Verschenen in 2006
Rubriek:

  • NUR: Bedrijfskunde algemeen
  • ISBN-13: 9789023242666 | ISBN-10: 9023242661