Het recht in betere tijden; over de werking van interventies ter versnelling van civiele procedures
Leverbaar
Het beleid om de procedures in de civiele rechtspraak te verkorten, is tamelijk succesvol geweest. Bij 17 van de 19 rechtbanken nam de duur van procedures tussen 1996 en 2003 af. Bij 4 rechtbanken was sprake van een halvering van de tijd die gemoeid is met de behandeling van een zaak. Dit concludeert Roland Eshuis in zijn proefschrift Het recht in betere tijden, waarop hij op donderdag 1 november 2007 is gepromoveerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Tien jaar geleden duurde het gemiddeld twee jaar voordat een civiele rechtszaak (een rechtszaak tussen burgers of tussen burgers en bedrijven) werd afgehandeld. Omdat het dringend nodig was de civiele rechtsgang te moderniseren en versnellen, werden er tussen 1998 en 2003 tal van maatregelen genomen. Roland Eshuis onderzocht de maatregelen en bekeek welke het beste werken. Hij ontdekte dat het Nederlandse versnellingsbeleid tamelijk succesvol is geweest. Bij 17 van de 19 rechtbanken namen de duur van procedures tussen 1996 en 2003 af. Bij 4 rechtbanken was sprake van een halvering van de tijd die gemoeid is met de behandeling van een ‘doorsnee’ procedure op tegenspraak. Dat komt vooral doordat de rechtszaken in een vroeg stadium daadkrachtiger worden aangepakt; zo is er minder schriftelijke correspondentie en komt de rechter sneller met een reactie. Ook zijn de ‘voorraden’ van zaken die zich hadden opgehoopt, sterk afgenomen. Het landelijk rolreglement voor civiele zaken, dat in 1999 werd ingevoerd, heeft minder effect gehad. Het reglement heeft nauwelijks bij kunnen dragen aan de afname van wachttijden voor verschillende stappen in de procedure en bevat zelfs een regeling – de zogenaamde ‘parkeerrol’ – met een averechts effect. Er bestaan duidelijke verschillen in de manier waarop rechtbanken hebben gereageerd op de maatregelen. Juist bij tragere rechtbanken zijn de maatregelen in mindere mate toegepast. In de periode dat de versnellingsmaatregelen werden getroffen, was er geen betrouwbare meting van de prestaties op dit gebied. In de praktijk is het financieringsmodel voor de rechtspraak – gebaseerd op ‘outputfinanciering’ - van grote invloed geweest op toepassing van het beleid. De outputfinanciering stimuleerde de vermindering van voorraaden, maar frustreerde in een aantal gevallen de implementatie van maatregelen die een geconcentreerde aanpak aan het begin van een procedure moesten bevorderen. Rechtbanken vreesden – overigens ten onrechte – dat die maatregelen een negatief effect op de efficiency zouden hebben.
Ingenaaid | 386 pagina's | Nederlands
Verschenen in 2007
Rubriek: