Het recht op de tegenspraak in civiele geschillen
Leverbaar
Dit boek omvat een grondige studie van het recht op tegenspraak in civiele geschillen. Het recht op tegenspraak impliceert dat de partijen in het geding, ongeacht of het gaat om een burgerlijk dan wel om een strafproces, steeds de mogelijkheid moeten hebben om kennis te nemen van (passief) en te antwoorden op (actief) elk stuk of elke opmerking welke aan de rechter wordt voorgelegd met het oog op het beïnvloeden van zijn beslissing, of dit stuk of opmerking nu uitgaat van een partij of van een onafhankelijke magistraat. Aanleiding voor dit onderzoek was de herhaaldelijke veroordeling van België door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens schending van artikel 6 EVRM. In deze rechtspraak werd de onmogelijkheid voor de partijen om wederwoord te bieden op het advies van het openbaar ministerie aan de kaak gesteld. Doelstelling van dit proefschrift is te onderzoeken of het recht op tegenspraak van de verwerende partij (afdoende) gewaarborgd wordt bij andere aspecten van de afhandeling van het burgerlijk geding. Centrale vraag van dit proefschrift is of de thans geldende regelgeving inzake de afhandeling van het burgerlijk geding, zoals bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, de toets van artikel 6 EVRM kan doorstaan. De auteur heeft voor dit onderzoek de voorkeur gegeven aan die aspecten van het burgerlijk proces die het meest het recht op tegenspraak van de partijen in het burgerlijke geschil veruitwendigen, nl. de inleiding van het geding (Deel II), het recht op tegenspraak en de stukken die de beslissing van de rechter kunnen beïnvloeden (Deel III) en het verstek (Deel IV). In DEEL I wordt het recht op tegenspraak gedefinieerd en wordt onderzocht of het recht op tegenspraak kan gekwalificeerd worden als een (zelfstandig) algemeen rechtsbeginsel. In DEEL II analyseert de auteur het recht op tegenspraak bij de inleiding van het geding. Naast een uitvoerige analyse van het exploot van dagvaarding en het verzoekschrift op tegenspraak besteedt zij o.m. uitgebreid aandacht aan het kort geding en de procedure op eenzijdig verzoekschrift. In DEEL III van dit proefschrift onderzoekt de auteur het recht op tegenspraak voor wat betreft de stukken die de beslissing van de rechter kunnen beïnvloeden. In eerste instantie wordt aandacht besteed aan de problematiek van de stukken die uitgaan van de partijen zelf, m.n. de conclusies en de bewijsstukken. Meer in het bijzonder wordt onderzocht in hoeverre het recht op tegenspraak van de partijen gewaarborgd wordt bij de uitwisseling van de conclusies enerzijds en bij de mededeling/overlegging van de (bewijs)stukken anderzijds. In tweede instantie gaat de auteur na hoe de partijen hun recht op tegenspraak kunnen effectueren ten aanzien van stukken die uitgaan van een onafhankelijke derde, zijnde het openbaar ministerie en de deskundige. In DEEL IV wordt onderzocht of en in hoeverre het recht op tegenspraak in het kader van het verstek gewaarborgd wordt. Bij deze bijzondere procedurele situatie stelt de vraag naar het recht op tegenspraak van de partijen zich het scherpst.
Nederlands
Verschenen in 2009
Rubriek: