Mr. J.C. van Oven; hoogleraar Romeins recht
Leverbaar
J.C.van Oven (1881-1963) behoorde als jurist tot de thans uitgestorven generatie van generalisten, die twee of meer disciplines op hoog niveau beoefenden. In zijn geval waren dat het Romeinse recht en het civiele recht, al was zijn gezag als civilist minder groot dan dat van zijn tijdgenoten Paul Scholten en Meijers. De oorzaak hiervan moet worden gezocht in de omstandigheid, dat Van Oven geen handboeken over het civiele recht heeft geschreven of annotaties bij arresten van de Hoge Raad. Toch moet zijn invloed op de makers van het nieuwe Burgerlijk Wetboek niet onderschat worden. Het is hier echter niet de plaats om daarnaar een onderzoek in te stellen, omdat dit een studie op zichzelf zou vergen. Voor een jurist met belangstelling voor de rechtsgeschiedenis van de twintigste eeuw zou het een mooi onderwerp voor een dissertatie zijn. Behalve op juridisch gebied bewoog Van Oven zich op dat der journalistiek,onder andere als redacteur van het Nederlands Juristenblad, waarin hij niet uitsluitend over onderwerpen van zuiver juridische aard schreef, maar ook over destijds actuele zaken, zoals het proces tegen Sacco en Vanzetti en de zaak-Ries. Als minister van justitie was het hem gegeven om belangrijke wetgeving op civielrechtelijk gebied tot stand te brengen, waaronder een wet over een materie,waarover hij reeds tientallen jaren daarvoor een preadvies had uitgebracht voor de Nederlandse Juristenvereniging, te weten de opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw. Tevens kreeg hij als minister te maken met de kwestie-Schokking. Hierbij speelde Van Oven een sleutelrol, omdat hij aan deze zaak een andere wending had kunnen geven, indien hij naar aanleiding van een tegen burgemeester Schokking ingediende klacht een vervolging zou hebben gelast. De kwestie-Schokking heeft destijds zeer de aandacht getrokken, terwijl H.J.A.Hofland in Tegels lichten of ware verhalen over de autoriteiten in het land van voldongen feiten (2de gew.dr.; Amsterdam 1972) 96 – 105 er nog een hoofdstuk aan heeft gewijd. In het tweede hoofdstuk, dat op het eerste aansluit en als een aanvulling daarvan is te beschouwen, wordt ingegaan op de positie, die Van Oven innam in het steeds weer opvlammende debat over de vraag, hoe het Romeinse recht aan de universiteiten moet worden beoefend: als doel op zichzelf of als propedeuse bij de studie van het geldende recht. Tenslotte is naast een lijst van geraadpleegde literatuur een register van personen opgenomen.
Ingenaaid | 44 pagina's | Nederlands
Verschenen in 2008
Rubriek: