Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Interview

Pierre Spaninks | 22 juni 2020 | 6-8 minuten leestijd

Sander Heijne en Hendrik Noten

‘Het verhaal dat we elkaar vertellen over de economie is per definitie politiek’

Waarom moeten we steeds harder werken voor steeds minder geld? Met die vraag begonnen Sander Heijne en Hendrik Noten aan hun boek Fantoomgroei. Het mondt uit in een pleidooi voor een nieuwe economie, waarin de maatschappelijke rol van ondernemingen weer centraal staat en de koek eerlijk wordt verdeeld.

‘Fantoomgroei’ is natuurlijk een mooie intrigerende titel voor een boek. Maar waar verwijst dat woord eigenlijk naar?
[Sander] Fantoomgroei is economische groei die een groot deel van de mensen niet terugziet in hun portemonnee. We zijn begonnen met denken over dat begrip vanuit de vraag hoe we kunnen verklaren dat de economie sneller groeit dan de lonen. Daar zit een gat tussen. We waren op zoek naar een goede metafoor om dat verschijnsel te duiden. Het is een soort spookgroei. Hij bestaat, de cijfers staan in de krant, maar voor een heleboel mensen is hij niet tastbaar. En een tweede component die eraan zit: als je kijkt naar ons groeimodel als wereld - we weten uit de wetenschap dat dit op langere termijn niet houdbaar is, dat we andere keuzes moeten maken als we bijvoorbeeld niet willen dat Nederland over 200 jaar onder water staat. Dus dat is eigenlijk een tweede uitleg van die term: je zou kunnen zeggen dat je van de wereld een fantoom maakt als je die onleefbaar laat worden.

Jullie maken veel werk van de vraag hoe die fantoomgroei heeft kunnen ontstaan. Jullie schetsen een ontwikkeling met een aantal hoofdrolspelers die op bepaalde momenten gedachten de wereld in hebben geholpen en die hebben doorgezet, waardoor de verhoudingen anders zijn komen te liggen. Neem ons eens in een paar zinnen mee door die ontwikkeling?
[Sander] Dan is het handig om terug te gaan naar de bevrijding, in 1945. Nederland, en eigenlijk heel Europa, lag in puin. Er was een brede consensus dat we een samenleving moesten opbouwen waar iedereen in mee kon komen, een samenleving waarin we genoeg welvaart creëerden om vreedzaam met elkaar samen te kunnen leven. Daar hebben we dertig, veertig jaar aan gebouwd, en tegen het einde van de jaren zeventig was die wederopbouw voltooid. In dat streven om iedereen mee te laten doen, was er ook heel veel sociale wetgeving tot stand gebracht die werknemers zekerheid gaf en beschermde. Vanaf de jaren zeventig werd die regelgeving vanuit werkgeversperspectief steeds meer als hinderlijk gezien. Want je kunt natuurlijk grotere winst te boeken als je minder regelgeving hebt die je personeel beschermt. Als je een grote sociale verzorgingsstaat hebt, dan hef je veel belasting op bedrijven om dat te financieren. Dus je had een overheid die heel actief bezig was met het herverdelen van middelen. In diezelfde periode kregen neoliberale denkers als Hayek en Friedman voet aan de grond, met het idee dat het enige doel voor bedrijven is om winst te maken. Daar moest alles op gefocust zijn. Dat denken heeft ook in de politiek wortel geschoten. Het hele sociale en maatschappelijke deel was niet de verantwoordelijkheid van bedrijven: die moesten gewoon geld verdienen. Als bedrijven daar maar op gericht waren, redeneerden politici als Ruud Lubbers en topambtenaren als Frans Rutten, dan was dat niet alleen goed voor de economie maar ook voor de samenleving als geheel. Want je zou zien dat die economische groei uiteindelijk zou doorsijpelen en dat iedereen daar beter van zou worden.

Oké, als dat het probleem is en als dat is hoe het is ontstaan, wat moet er nu gebeuren? Wie moet wat gaan doen, wanneer en hoe?
[Sander] Dat zijn een heleboel vragen tegelijk. Kijk, je kunt niet eenduidig zeggen: ‘Voortaan moet je het zus en zo doen.’ Dan maak je het te simpel. Volgens mij zou iedereen zich weer eens moeten beraden op zijn eigen positie en weer eens moeten nadenken van ‘wat gebeurt hier?’ Wat je nu eigenlijk heel goed zou moeten adresseren, is al dat al die spelers in de samenleving - werknemers in vitale sectoren, mensen in het mkb, de werkgeversverenigingen, politici van verschillende kleuren - dat die allemaal veel scherper voor ogen krijgen dat het verhaal dat we elkaar vertellen over de economie per definitie een politiek verhaal is, dus dat je daar verschillende standpunten in kan innemen. Afhankelijk van je politieke kleur zul je natuurlijk wel het een beter vinden dan het andere, maar het begint ermee dat we beseffen dat we keuzes kunnen maken. We kunnen multinationals evenveel belasting laten betalen als het mkb, we kunnen de opbrengsten eerlijk verdelen tussen werkgevers en werknemers, we kunnen de lonen verhogen, we kunnen meer inzetten op huisvesting zodat er weer voldoende betaalbare woningen komen. Dat zijn knoppen waar je aan kunt draaien. Dan heb je weliswaar nog niet een stappenplan van A naar B naar C, maar dan heb je wel het inzicht waar het allemaal me begint.

Je legt nu de nadruk op het debat dat je op gang wilt brengen, op waar je mensen bewust van wilt maken. Maar uit het boek kreeg ik toch de indruk dat je ook wel concrete ideeën hebt hoe ondernemingen eigenlijk in elkaar zouden moeten steken en hoe je werk beter zou kunnen organiseren. Je besteedt bijvoorbeeld heel veel aandacht aan werknemerscoöperaties, met voorbeelden van over de hele wereld. Is dat een concrete richting die je ook voor Nederland zou aanbevelen?
[Hendrik] In het boek laten we volgens mij wel ruimte voor hoe dan precies, maar wij vinden in elk geval allebei dat het heel gezond zou zijn als er meer democratie in de economie kwam. Dus meer invloed vanuit werkenden zelf en vanuit de omgeving waarin ondernemingen opereren. Los van de vraag hoe we de waarde verdelen die we creëren, is er ook nog de vraag hoe we op de lange termijn bewaken dat we de goede dingen doen, en hoe we dat kunnen verankeren. In plaats van ‘Het volgende kwartaal moet in ieder geval goed zijn, en het kwartaal daarop, en het kwartaal daarop.’ Structuren waarbij er veel zeggenschap is vanuit de medewerkers en vanuit de omgeving blijken dan toch vaak meer oog te hebben voor die lange termijn. Dus hoe gaan we dat de komende tijd doen met elkaar?

Jullie schrijven in je voorwoord dat jullie in Fantoomgroei de overgang maken van onderzoeksjournalistiek naar een politieke stellingname, en aan het eind zeggen jullie zelfs een beweging op gang te willen brengen. Zijn dat stappen waar jullie bewust bij hebben stilgestaan of is het iets waarvan je achteraf constateert dat het is gebeurd?
[Sander] Voor mij persoonlijk geldt dat ik er wel van schrok, tijdens het schrijven. We waren eerst met journalistieke methoden tot de conclusie gekomen dat andere mensen die bezig zijn met de economie eigenlijk politiek bedrijven, en op een gegeven moment realiseerde ik me dat wij dat zelf ook aan het doen waren. Ik schrok daar wel een beetje van, want vanuit mijn journalistieke scholing vind ik het eigenlijk prettiger om als beschouwer van buitenaf naar het debat te kijken.

Hebben jullie tot slot nog een boodschap speciaal voor het managementpubliek?
[Hendrik] Wij geloven allebei echt dat ondernemingen en ondernemers een ongelooflijk belangrijke rol kunnen spelen in de toekomst. Dus Fantoomgroei is absoluut geen aanval op hen. Het gaat juist heel erg over de vraag hoe we vervolgens die potentie kunnen inzetten voor de samenleving als geheel. We hebben die energie en die creativiteit van ondernemers hard nodig, maar we moeten het wel in het goede kader plaatsen zodat het ook wat oplevert.

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden